< Johannes 8 >
1 Maar Jezus ging naar den Olijfberg.
ᏥᏌᏃ ᎤᎵᏩᏲᎢ ᎣᏓᎸ ᏬᎶᏒᎩ.
2 En des morgens vroeg kwam Hij wederom in den tempel, en al het volk kwam tot Hem; en nedergezeten zijnde, leerde Hij hen.
ᏑᎾᎴᏉᏃ ᏔᎵᏁ ᎤᏛᏅ-ᏗᎦᎳᏫᎢᏍᏗᏱ ᎤᎷᏨᎩ; ᎠᎴ ᏂᎦᏛ ᏴᏫ ᎥᎬᏩᎷᏤᎸᎩ; ᎤᏪᏅᏃ ᏑᏪᏲᏅᎩ.
3 En de Schriftgeleerden en de Farizeen brachten tot Hem een vrouw, in overspel gegrepen.
ᏗᏃᏪᎵᏍᎩᏃ ᎠᎴ ᎠᏂᏆᎵᏏ ᎬᏩᏘᏃᎮᎸᎩ ᎠᎨᏴ ᎠᏓᏲᏁᎲ ᎠᏥᏂᏴᏛ; ᎠᏰᎵᏃ ᎤᏂᎧᏅ,
4 En haar gesteld hebbende in het midden, zeiden zij tot Hem: Meester, deze vrouw is op de daad zelve gegrepen, overspel begaande.
ᎯᎠ ᏂᎬᏩᏪᏎᎸᎩ; ᏔᏕᏲᎲᏍᎩ, ᎯᎠ ᎠᎨᏴ ᎠᏓᏲᏁᎲ ᏕᎦᏅᎬᎢ ᎠᏥᏂᏴᎲᎩ.
5 En Mozes heeft ons in de wet geboden, dat dezulken gestenigd zullen worden; Gij dan, wat zegt Gij?
Ꭷ, ᎼᏏ ᎣᎩᏁᏤᎸᎩ ᏗᎧᎿᎭᏩᏛᏍᏗᏱ ᎾᏍᎩ ᎢᏳᎾᏍᏗ ᏅᏯ ᏗᎨᎬᏂᏍᏙᏗᏱ; ᎠᏎᏃ ᏂᎯ ᎦᏙ ᎭᏗᎭ?
6 En dit zeiden zij, Hem verzoekende, opdat zij iets hadden, om Hem te beschuldigen. Maar Jezus, nederbukkende, schreef met den vinger in de aarde.
ᎾᏍᎩ ᎯᎠ ᏄᏂᏪᏒᎩ ᎠᏂᏌᏛᎥᏍᎬᎩ, ᎤᏄᎯᏍᏙᏗᏱᏉ ᎤᏂᏰᎸᏒᎩ. ᎠᏎᏃ ᏥᏌ ᎤᏗᏌᏓᏛᎩ, ᎦᏰᏌᏛᏃ ᎤᏩᏔᏅᎩ ᎤᏬᏪᎳᏅᎩ ᎦᏙᎯ.
7 En als zij Hem bleven vragen, richtte Hij Zich op, en zeide tot hen: Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen op haar.
ᎠᏏᏉᏃ ᎠᏂᏱᎵᏒ ᎬᏩᏛᏛᎲᏍᎬ ᎤᏓᏥᏃᎯᏍᏔᏅᎩ ᎯᎠ ᏂᏚᏪᏎᎸᎩ; ᎩᎶ ᎤᏓᏑᏰᏍᏗ ᎤᏍᎦᏅᏨᎯ ᏂᎨᏒᎾ ᎾᏍᎩ ᎢᎬᏱ ᏫᏓᏓᎴᏅᏓ ᏅᏯ ᏫᎬᏂᏍᏓ.
8 En wederom nederbukkende, schreef Hij in de aarde.
ᏔᎵᏁᏃ ᎤᏗᏌᏓᏛ, ᎦᏙᎯ ᎤᏬᏪᎳᏅᎩ.
9 Maar zij, dit horende, en van hun geweten overtuigd zijnde, gingen uit, de een na den andere, beginnende van de oudsten tot de laatsten; en Jezus werd alleen gelaten; en de vrouw in het midden staande.
ᎾᏍᎩᏃ ᎤᎾᏛᎦᏅ, ᎠᎴ ᏧᎾᏓᏅᏙ ᎬᏩᏄᎯᏍᏔᏅ, ᎤᏂᏄᎪᏨᎩ ᏌᏉ ᎤᏛᏂᏛ ᎤᏓᏂᎵᎨ ᏚᏓᎴᏅᏔᏅᎩ, ᎣᏂᏱ ᏫᎬᏩᏛᏅᎩ; ᏥᏌᏃ ᎤᏩᏒ ᏄᎵᏍᏔᏅᎩ, ᎠᎨᏴᏃ ᎠᏰᎵ ᎦᏙᎬᎩ.
10 En Jezus, Zich oprichtende, en niemand ziende dan de vrouw, zeide tot haar: Vrouw, waar zijn deze uw beschuldigers? Heeft u niemand veroordeeld?
ᏥᏌᏃ ᎤᏓᏥᏃᎯᏍᏔᏅ, ᎠᎴ ᎠᎨᏴᏉ ᎤᏩᏒ ᎤᎪᎲ, ᎯᎠ ᏄᏪᏎᎸᎩ; ᎯᎨᏴ, ᎭᏢ Ꮎ ᎨᏧᎯᏍᏗᏍᎩ? ᏝᏍᎪ ᎩᎶ ᏣᏍᎦᏅᏨᎢ ᏱᏕᎫᎪᏓ?
11 En zij zeide: Niemand, Heere! En Jezus zeide tot haar: Zo veroordeel Ik u ook niet; ga heen, en zondig niet meer.
ᎯᎠ ᏄᏪᏒᎩ; ᎥᏝ ᎩᎶ, ᏣᎬᏫᏳᎯ. ᏥᏌᏃ ᎯᎠ ᏄᏪᏎᎸᎩ; ᎥᏝ ᎾᏍᏉ ᎠᏴ ᏣᏍᎦᏅᏨ ᏱᏗᎫᎪᏗᎭ. ᏥᎮᎾ, ᎠᎴ ᏞᏍᏗ ᎢᎸᎯᏳ ᎿᎭᏉ ᏱᏣᏍᎦᏅᏤᏍᏗ.
12 Jezus dan sprak wederom tot henlieden, zeggende: Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.
ᎠᎴᏬ ᏥᏐ ᏚᏬᏁᏔᏅᎩ, ᎯᎠ ᏂᏚᏪᏎᎸᎩ; ᎠᏴ ᎡᎶᎯ ᎢᎦ ᏥᏯᏘᏍᏓᏁᎯ; ᎩᎶ ᎠᎩᏍᏓᏩᏕᎨᏍᏗ ᎥᏝ ᎤᎵᏏᎬ ᏱᎦᏰᏙᎮᏍᏗ; ᎠᏛᏂᏗᏍᏙᏗᏍᎩᏂ ᎢᎦ ᎤᏤᎵᎦ ᎨᏎᏍᏗ.
13 De Farizeen dan zeiden tot Hem: Gij getuigt van Uzelven; Uw getuigenis is niet waarachtig.
ᎿᎭᏉᏃ ᎠᏂᏆᎵᏏ ᎯᎠ ᏅᎬᏩᏪᏎᎸᎩ; ᏨᏒᏉ ᎭᏓᏃᎮᎭ, ᎯᏃᎮᏍᎬ ᎥᏝ ᏳᏙᎯᏳᎭ.
14 Jezus antwoordde, en zeide tot hen: Hoewel Ik van Mijzelven getuig, zo is nochtans Mijn getuigenis waarachtig; want Ik weet, van waar Ik gekomen ben, en waar Ik heenga; maar gijlieden weet niet, van waar Ik kom, en waar Ik heenga.
ᏥᏌ ᎤᏁᏨᎩ, ᎯᎠ ᏂᏚᏪᏎᎸᎩ; ᎠᏋᏒᏉ ᎾᏍᏉ ᏱᎦᏓᏃᎮᎭ, ᎠᏎ ᏥᏃᎮᏍᎬ ᎤᏙᎯᏳᎭ; ᏥᎦᏔᎭᏰᏃ ᏗᏆᏓᎴᏅᎢ ᎠᎴ ᏫᏥᎦᏛᎢ. ᏂᎯᏍᎩᏂ ᎥᏝ ᏱᏥᎦᏔᎭ ᏗᏆᏓᎴᏅᎢ ᎠᎴ ᏫᏥᎦᏛᎢ.
15 Gij oordeelt naar het vlees; Ik oordeel niemand.
ᏂᎯ ᏕᏧᎪᏗᏍᎪ ᎤᏇᏓᎵᏉ ᏧᏬᎪᏙᏗ ᎨᏒᎢ; ᎠᏴ ᎥᏝ ᎩᎶ ᏱᏗᏥᏳᎪᏓᏁᎰᎢ.
16 En indien Ik ook oordeel, Mijn oordeel is waarachtig; want Ik ben niet alleen, maar Ik en de Vader, Die Mij gezonden heeft.
ᎠᏎᏃ ᎾᏍᏉ ᏱᏗᎫᎪᏗᎭ, ᏓᏇᎪᏔᏅ ᏑᏳᎪᏛ ᏱᎩ. ᎥᏝᏰᏃ ᎠᏋᏒᏉ ᏱᎩ, ᎠᎦᏴᎵᎨᏰᏃ ᏅᏛᎩᏅᏏᏛ ᎣᎩᎾᎵᎪᎭ.
17 En er is ook in uw wet geschreven, dat de getuigenis van twee mensen waarachtig is.
ᎠᎴ ᎾᏍᏉ ᎪᏪᎳ ᏗᏥᎧᎿᎭᏩᏛᏍᏗᏱ ᎾᏍᎩ ᎠᏂᏔᎵ ᎤᏂᏃᎮᎸᎯ ᎨᏒ ᎤᏙᎯᏳᎯᏯ ᎨᏒᎢ.
18 Ik ben het, Die van Mijzelven getuig, en de Vader, Die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij.
ᎠᏴ ᎠᏋᏒ ᎦᏓᏃᎮᏍᎩ, ᎠᎦᏴᎵᎨᏃ ᏅᏛᎩᏅᏏᏛ ᎾᏍᏉ ᎠᏴ ᎠᎩᏃᎮᎭ.
19 Zij dan zeiden tot Hem: Waar is Uw Vader? Jezus antwoordde: Gij kent noch Mij, noch Mijn Vader; indien gij Mij kendet, zo zoudt gij ook Mijn Vader kennen.
ᎿᎭᏉ ᎯᎠ ᏅᎬᏩᏪᏎᎸᎩ, ᎭᏢ ᏣᏙᏓ? ᏥᏌ ᎯᎠ ᏂᏚᏪᏎᎸᎩ; ᎥᏝ ᎠᏴ ᏱᏍᎩᎦᏔᎭ, ᎠᎴ ᎥᏝ ᏰᏥᎦᏔᎭ ᎡᏙᏓ. ᎢᏳᏃ ᎠᏴ ᏱᏍᎩᎦᏔᎮᎢ, ᎾᏍᏉ ᏰᏥᎦᏔᎮ ᎡᏙᏓ.
20 Deze woorden sprak Jezus bij de schatkist, lerende in den tempel; en niemand greep Hem; want Zijn ure was nog niet gekomen.
ᎾᏍᎩ ᎯᎠ ᏄᏪᏒᎩ ᏥᏌ ᎠᏕᎸ ᏗᏍᏆᏂᎪᏗᏱ, ᎾᎯᏳ ᏓᏕᏲᎲᏍᎬ ᎤᏛᎤ-ᏗᎦᎳᏫᎢᏍᏗᏱ; ᎠᎴ ᎥᏝ ᎩᎶ ᏳᏂᏴᎮᎢ, ᎥᏝᏰᏃ ᎠᏏ ᏳᏍᏆᎸᎡᎮᎢ.
21 Jezus dan zeide wederom tot hen: Ik ga heen, en gij zult Mij zoeken, en in uw zonden zult gij sterven; waar Ik heenga, kunt gijlieden niet komen.
ᎿᎭᏉᏃ ᏥᏌ ᏔᎵᏁ ᎯᎠ ᏂᏚᏪᏎᎸᎩ; ᏓᎦᏓᏅᏏ, ᏂᎯᏃ ᏍᎩᏲᎮᏍᏗ, ᎠᎴ ᎠᏎ ᎠᏍᎦᏂ ᎨᏒ ᏙᏓᏥᏲᎱᏏ, ᎠᎴ ᏫᏥᎦᏛ ᎥᏝ ᏫᏴᎨᏥᎷᎩ.
22 De Joden dan zeiden: Zal Hij ook Zichzelven doden, omdat Hij zegt: Waar Ik heenga, kunt gijlieden niet komen?
ᎿᎭᏉᏃ ᎠᏂᏧᏏ ᎯᎠ ᏄᏂᏪᏒᎩ, ᏥᎪ ᎤᏩᏒ ᏛᏓᎵ? ᎯᎠ ᏥᏂᎦᏪᎭ; ᏫᏥᎦᏛ ᎥᏝ ᏫᏴᎨᏥᎷᎩ.
23 En Hij zeide tot hen: Gijlieden zijt van beneden, Ik ben van boven; gij zijt uit deze wereld, Ik ben niet uit deze wereld.
ᎯᎠᏃ ᏂᏚᏪᏎᎸᎩ; ᏂᎯ ᎡᎳᏗ ᎢᏣᏓᎴᏅᎯ; ᎠᏴ ᎦᎸᎳᏗ ᏅᏛᏆᏓᎴᏅᎯ. ᏂᎯ ᎠᏂ ᎡᎶᎯ ᎢᏣᏓᎴᏅᎯ; ᎠᏴ ᎥᏝ ᎠᏂ ᎡᎶᎯ ᎠᏆᏓᎴᏅᎯ ᏱᎩ.
24 Ik heb u dan gezegd, dat gij in uw zonden zult sterven; want indien gij niet gelooft, dat Ik Die ben, gij zult in uw zonden sterven.
ᎾᏍᎩ ᎢᏳᏍᏗ ᎯᎠ ᏂᏨᏪᏏ; ᎠᏎ ᎨᏥᏍᎦᏂᏉ ᎨᏒ ᏙᏓᏥᏲᎱᏏ; ᎢᏳᏰᏃ ᏂᏦᎯᏳᎲᏍᎬᎾ ᎢᎨᏎᏍᏗ ᎠᏴ ᎾᏍᎩ ᎨᏒᎢ, ᎠᏎ ᎨᏥᏍᎦᏂ ᎨᏒ ᏙᏓᏥᏲᎱᏏ.
25 Zij zeiden dan tot Hem: Wie zijt Gij? En Jezus zeide tot hen: Wat Ik van den beginne ulieden ook zegge.
ᎿᎭᏉᏃ ᎯᎠ ᏅᎬᏩᏪᏎᎸᎩ; ᎦᎪᏂᎯ? ᏥᏌᏃ ᎯᎠ ᏂᏚᏪᏎᎸᎩ; ᎾᏍᎩᏉ ᏥᏨᏲᏎᎰᎢ, ᎤᏙᎯᏳᎯᏯ ᎾᏍᎩᏉ.
26 Ik heb vele dingen van u te zeggen en te oordelen; maar Die Mij gezonden heeft, is waarachtig; en de dingen, die Ik van Hem gehoord heb, dezelve spreek Ik tot de wereld.
ᎤᏣᏘ ᎪᎱᏍᏗ ᎠᎩᎭ ᎢᏨᏲᏎᏗ, ᎠᎴ ᏗᏨᏳᎪᏓᏁᏗ; ᎠᏎᏃ ᏅᏛᎩᏅᏏᏛ ᏚᏳᎪᏛᎢ; ᎠᏴᏃ ᎡᎶᎯ ᏥᏃᎮᎮᎭ ᎾᏍᎩ ᏄᏍᏛ ᏥᏯᏛᎦᏁᎸᎢ.
27 Zij verstonden niet, dat Hij hun van den Vader sprak.
ᎥᏝ ᏳᏃᎵᏤ ᎠᎦᏴᎵᎨ ᎦᏛᎬ ᎾᏍᎩ ᏕᎦᏬᏁᏗᏍᎬᎢ.
28 Jezus dan zeide tot hen: Wanneer gij den Zoon des mensen zult verhoogd hebben, dan zult gij verstaan, dat Ik Die ben, en dat Ik van Mijzelven niets doe; maar deze dingen spreek Ik, gelijk Mijn Vader Mij geleerd heeft.
ᎾᏍᎩ ᎢᏳᏍᏗ ᏥᏌ ᎯᎠ ᏂᏚᏪᏎᎸᎩ; ᏴᏫ ᎤᏪᏥ ᎡᏥᏌᎳᏓᏅᎭ, ᎿᎭᏉ ᏓᏣᏙᎴᎰᏏ ᎠᏴ ᎾᏍᎩ ᎨᏒᎢ, ᎠᎴ ᎠᏋᏒᏉ ᎠᏆᏓᏅᏖᏛ ᎪᎱᏍᏗ ᏂᏓᎩᎸᏫᏍᏓᏁᎲᎾ ᎨᏒᎢ, ᎡᏙᏓᏉᏍᎩᏂ ᎠᏇᏲᏅ ᎾᏍᎩ ᏥᏃᎮᏍᎬᎢ.
29 En Die Mij gezonden heeft, is met Mij. De Vader heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd, wat Hem behagelijk is.
ᏅᏛᎩᏅᏏᏛ ᎣᎩᎾᎵᎪᎭ; ᎠᎦᏴᎵᎨ ᎥᏝ ᏯᏋᏕᏨ, ᏂᎪᎯᎸᏰᏃ ᏓᎩᎸᏫᏍᏓᏁᎰ ᎣᏍᏛ ᎤᏰᎸᏗ.
30 Als Hij deze dingen sprak, geloofden velen in Hem.
ᎠᏏᏉ ᎾᏍᎩ ᎯᎠ ᏂᎦᏪᏍᎬᎩ, ᎤᏂᏣᏛ ᎬᏬᎯᏳᏅᎩ.
31 Jezus dan zeide tot de Joden, die in Hem geloofden: Indien gijlieden in Mijn woord blijft, zo zijt gij waarlijk Mijn discipelen;
ᎿᎭᏉ ᏥᏌ ᎯᎠ ᏂᏚᏪᏎᎸᎩ ᎠᏂᏧᏏ ᎬᏬᎯᏳᎲᏍᎩ; ᎢᏳᏃ ᏕᏥᎧᎿᎭᏩᏗᏎᏍᏗ ᎠᎩᏁᏨᎢ, ᎤᏙᎯᏳᎯᏯ ᏍᎩᏍᏓᏩᏗᏙᎯ ᎨᏎᏍᏗ.
32 En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.
ᎠᎴ ᏓᏥᎦᏙᎥᏏ ᏚᏳᎪᏛᎢ, ᏚᏳᎪᏛᏃ ᏂᏕᏥᎾᏝᎥᎾ ᏅᏓᏨᏁᎵ.
33 Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt Gij dan: Gij zult vrij worden?
ᎬᏩᏁᏤᎸ ᎯᎠ ᏂᎬᏩᏪᏎᎸᎩ; ᎠᏴ ᎡᏆᎭᎻ ᎤᏁᏢᏔᏅᏛ, ᎠᎴ ᎥᏝ ᎢᎸᎯᏳ ᎩᎶ ᏱᏙᎩᎾᏢᏃᎢ, ᎦᏙᏃ ᏂᏕᏥᎾᏝᎥᎾ ᏅᏓᏰᏨᏁᎵ, ᏣᏗᎭ?
34 Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een iegelijk, die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde.
ᏥᏌ ᏚᏁᏤᎸ ᎯᎠ ᏂᏚᏪᏎᎸᎩ; ᎤᏙᎯᏳᎯᏯ ᎤᏙᎯᏳᎯᏯ ᎯᎠ ᏂᏨᏪᏎᎭ; ᎩᎶ ᏣᏍᎦᏅᎪᎢ ᎠᏍᎦᏂ ᎤᎾᏝᎢ ᎨᏐᎢ.
35 En de dienstknecht blijft niet eeuwiglijk in het huis, de zoon blijft er eeuwiglijk. (aiōn )
ᎠᏥᎾᏝᎢᏃ ᎥᏝ ᎠᏓᏁᎸ ᏂᎪᎯᎸ ᎡᎯ ᏱᎨᏐᎢ; ᎠᎦᏅᎩᏍᎩᏂ ᏂᎪᎯᎸ ᎡᎰᎢ. (aiōn )
36 Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn.
ᎾᏍᎩ ᎢᏳᏍᏗ ᎢᏳᏃ ᎠᎦᏅᎩ ᏂᏕᏥᎾᏝᎥᎾ ᏱᏂᏨᏁᎸ ᎤᏙᎯᏳᏒ ᏂᏕᏥᎾᏝᎥᎾ ᏱᎩ.
37 Ik weet, dat gij Abrahams zaad zijt; maar gij zoekt Mij te doden; want Mijn woord heeft in u geen plaats.
ᏥᎦᏔᎭ ᏂᎯ ᎡᏆᎭᎻ ᎤᏁᏢᏔᏅᏛ ᎨᏒᎢ; ᎠᏎᏃ ᎢᏣᏚᎵ ᏍᎩᎢᏍᏗᏱ, ᏅᏗᎦᎵᏍᏙᏗᎭ ᏥᏁᎬ ᏕᏣᏓᏅᏛ ᏫᎾᏴᎯᎲᎾ ᎨᏒᎢ.
38 Ik spreek wat Ik bij Mijn Vader gezien heb; gij doet dan ook, wat gij bij uw vader gezien hebt.
ᏄᏍᏛ ᎠᎩᎪᎲ ᎡᏙᏙᏱ ᎾᏍᎩ ᏥᏁᎪᎢ; ᏂᎯᏃ ᏄᏍᏛ ᎢᏥᎪᎲ ᎢᏥᏙᏙᏱ ᎾᏍᎩ ᏂᏣᏛᏁᎰᎢ.
39 Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zo zoudt gij de werken van Abraham doen.
ᎤᏂᏁᏨ ᎯᎠ ᏅᎬᏩᏪᏎᎸᎩ; ᎡᏆᎭᎻ ᎣᎩᏙᏓ. ᏥᏌ ᎯᎠ ᏂᏚᏪᏎᎸᎩ; ᎢᏳᏃ ᏂᎯ ᎡᏆᎭᎻ ᏧᏪᏥ ᏱᎩ, ᎡᏆᎭᎻ ᏧᎸᏫᏍᏓᏁᏗ ᎨᏒ ᏱᏗᏥᎸᏫᏍᏓᏁᎭ.
40 Maar nu zoekt gij Mij te doden, een Mens, Die u de waarheid gesproken heb, welke Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet.
ᎠᏎᏃ ᎢᏣᏚᎵ ᏍᎩᎢᏍᏗᏱ ᎠᏴ ᏚᏳᎪᏛ ᎢᏨᏃᏁᎸᎯ, ᎾᏍᎩ ᎤᏁᎳᏅᎯ ᏥᏯᏛᎦᏁᎸᎯ ᎨᏒᎢ; ᎥᏝ ᎾᏍᎩ ᏱᎾᏛᏁᎮ ᎡᏆᎭᎻ.
41 Gij doet de werken uws vaders. Zij zeiden dan tot Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben een Vader, namelijk God.
ᎢᏥᏙᏓ ᏧᎸᏫᏍᏓᏁᏗ ᎨᏒ ᏕᏥᎸᏫᏍᏓᏁᎰᎢ. ᎿᎭᏉᏃ ᎯᎠ ᏅᎬᏩᏪᏎᎸᎩ; ᎥᏝ ᎤᏕᎵᏛ ᏗᏂᏏᏅᎯ ᎣᎩᎾᏄᎪᏨᎯ ᏱᎩ; ᏌᏉ ᎡᎭ ᎣᎩᏙᏓ-ᎾᏍᎩ ᎤᏁᎳᏅᎯ.
42 Jezus dan zeide tot hen: Indien God uw Vader ware, zo zoudt gij Mij liefhebben; want Ik ben van God uitgegaan; en kom van Hem. Want Ik ben ook van Mijzelven niet gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.
ᏥᏌ ᎯᎠ ᏂᏚᏪᏎᎸᎩ; ᎢᏳᏃ ᎤᏁᎳᏅᎯ ᎢᏥᏙᏓ ᏱᎩ, ᏍᎩᎨᏳᎢᏳ ᏱᎩ; ᎤᏁᎳᏅᎯᏱᏰᏃ ᏗᏆᏓᎴᏅ ᎠᎩᎷᏥᎸ; ᎠᎴ ᎥᏝ ᎠᏋᏒᏉ ᎠᏆᏓᏅᏖᏛᏯᎩᎷᏥᎸ, ᏗᎩᏅᏒᏍᎩᏂ.
43 Waarom kent gij Mijn spraak niet? Het is, omdat gij Mijn woord niet kunt horen.
ᎦᏙᏃ Ꮭ ᏱᏦᎵᎦ ᏥᏬᏂᏍᎬᎢ? ᏅᏗᎦᎵᏍᏙᏗᏍᎩᏂ ᏥᏁᎬ ᏰᎵ ᎨᏣᏛᎪᏗ ᏂᎨᏒᎾ ᎨᏒᎢ.
44 Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.
ᎢᏥᏙᏓ ᎠᏍᎩᎾ ᏅᏓᏣᏓᎴᏅᎯ ᏂᎯ, ᎠᎴ ᎢᏥᏙᏓ ᎤᏲ ᏚᎸᏫᏍᏓᏁᎲ ᎢᏣᏛᏁᏗᏱ ᎢᏣᏚᎵᎭ. ᎾᏍᎩ ᏴᏫ ᏗᎯᎯ ᏂᎨᏐ ᏗᏓᎴᏂᏍᎬᎢ, ᎠᎴ ᎤᏙᎯᏳᎯ ᎨᏒ ᎥᏝ ᏱᏚᎧᎿᎭᏩᏛᏎᎢ, ᎥᏝᏰᏃ ᎤᏙᎯᏳᎯ ᎨᏒ ᏳᏪᎭ. ᎦᏰᎪᎩ ᎧᏁᎩ ᎤᏤᎵᎦᏉ ᎧᏁᎪᎢ; ᎦᏰᎪᎩᏰᏃ ᎾᏍᎩ, ᎠᎴ ᎤᎦᏴᎵᎨ ᎦᏰᎪᎩ ᎨᏒᎢ.
45 Maar Mij, omdat Ik u de waarheid zeg, gelooft gij niet.
ᎠᏎᏃ ᏚᏳᎪᏛ ᏥᏁᎬ ᏅᏗᎦᎵᏍᏙᏗᎭ ᎥᏝ ᏱᏍᎩᏲᎢᏳᎲᏍᎦ.
46 Wie van u overtuigt Mij van zonde? En indien Ik de waarheid zeg, waarom gelooft gij Mij niet?
ᎦᎪ ᎤᏓᏑᏯ ᎯᎠ ᏥᏂᏣᏛᏅ ᎬᏂᎨᏒ ᎢᎬᏩᏁᏗ ᎠᎩᏍᎦᏅᏨᎯ ᎨᏒᎢ? ᎢᏳᏃ ᏚᏳᎪᏛ ᏱᏥᏁᎦ, ᎦᏙᏃ Ꮭ ᏱᏍᎩᏲᎢᏳᎲᏍᎦ?
47 Die uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gijlieden niet, omdat gij uit God niet zijt.
ᎾᏍᎩ ᎤᏁᎳᏅᎯ ᏅᏓᏳᏓᎴᏅᎯ ᎨᏒ ᎾᏍᎩ ᎠᏛᎩᏍᎪ ᎤᏁᎳᏅᎯ ᎧᏁᎬᎢ; ᏂᎯ ᏂᏣᏛᎩᏍᎬᎾ ᏥᎩ ᏅᏗᎦᎵᏍᏙᏗ ᎤᏁᎳᏅᎯ ᏅᏓᏣᏓᎴᏅᎯ ᏂᎨᏒᎾ ᎨᏒᎢ.
48 De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet wel, dat Gij een Samaritaan zijt, en den duivel hebt?
ᎿᎭᏉᏃ ᎠᏂᏧᏏ ᎤᏂᏁᏨᎩ, ᎯᎠ ᏄᏂᏪᏎᎸᎩ; ᏝᏍᎪ ᏚᏳᎪᏛ ᏲᏥᏁᎦ, ᏌᎺᎵᏱ ᎮᎯ ᎠᎴ ᎠᏍᎩᎾ ᏣᏯᎢ, ᏥᏨᏲᏎᎭ?
49 Jezus antwoordde: Ik heb den duivel niet; maar Ik eer Mijn Vader, en gij onteert Mij.
ᏥᏌ ᎯᎠ ᏂᏚᏪᏎᎸᎩ; ᎥᏝ ᎠᏍᎩᎾ ᏯᎩᏯᎠ, ᏥᎸᏉᏗᏉᏍᎩᏂ ᎡᏙᏓ; ᏂᎯᏃ ᎠᏴ ᎨᏍᎩᏐᏢᎢᏍᏗᎭ.
50 Doch Ik zoek Mijn eer niet; er is Een, Die ze zoekt en oordeelt.
ᎠᏎᏃ ᎥᏝ ᏯᎩᏲᎭ ᎠᏋᏒ ᎥᎩᎸᏉᏗᏱ; ᎡᎭ ᎤᏲᎯ ᎠᎴ ᏗᎫᎪᏗᏍᎩ.
51 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid. (aiōn )
ᎤᏙᎯᏳᎯᏯ ᎤᏙᎯᏳᎯᏯ ᎯᎠ ᏂᏨᏪᏎᎭ, ᎢᏳᏃ ᎩᎶ ᎠᏍᏆᏂᎪᏗᏍᎨᏍᏗ ᏥᏁᎬᎢ, ᎾᏍᎩ ᎥᏝ ᎢᎸᎯᏳ ᎠᏲᎱᎯᏍᏗ ᎨᏒ ᎤᎪᏩᏛᏗ ᏱᎨᏎᏍᏗ. (aiōn )
52 De Joden dan zeiden tot Hem: Nu bekennen wij, dat Gij den duivel hebt. Abraham is gestorven, en de profeten; en zegt Gij: Zo iemand Mijn woord bewaard zal hebben, die zal den dood niet smaken in der eeuwigheid? (aiōn )
ᎿᎭᏉᏃ ᎠᏂᏧᏏ ᎯᎠ ᏅᎬᏩᏪᏎᎸᎩ; ᎿᎭᏉ ᎣᏣᏙᎴᎰᎯ ᎠᏍᎩᎾ ᏣᏯᎥᎢ. ᎡᏆᎭᎻ ᎤᏲᎱᏒ, ᎠᎴ ᎠᎾᏙᎴᎰᏍᎩ, ᏂᎯᏃ ᎯᎠ ᏂᎯᏪᎭ; ᎢᏳᏃ ᎩᎶ ᎠᏍᏆᏂᎪᏗᏍᎨᏍᏗ ᏥᏁᎬᎢ, ᎾᏍᎩ ᎥᏝ ᎢᎸᎯᏳ ᎠᏲᎱᎯᏍᏗ ᎨᏒ ᎤᏙᎴᎰᏍᏗ ᏱᎨᏎᏍᏗ. (aiōn )
53 Zijt Gij meerder, dan onze vader Abraham, welke gestorven is, en de profeten zijn gestorven; wien maakt Gij Uzelven?
ᏥᎪ ᏂᎯ ᎤᏟ ᎡᏣᎸᏉᏗᏳ ᎡᏍᎦᏉ ᎡᏆᎭᎻ ᎣᎩᏙᏓ, ᏧᏲᎱᏒ? ᎠᎴ ᎾᏍᏉ ᎠᎾᏙᎴᎰᏍᎩ ᏚᏂᏲᎱᏒ. ᎦᎪ ᏂᎯ ᎭᏤᎸᏍᎦ?
54 Jezus antwoordde: Indien Ik Mijzelven eer, zo is Mijn eer niets; Mijn Vader is het, Die Mij eert, Welken gij zegt, dat uw God is.
ᏥᏌ ᎯᎠ ᏂᏚᏪᏎᎸᎩ; ᎢᏳᏃ ᎠᏋᏒ ᏱᎦᏓᎸᏉᏗᎭ, ᎥᎩᎸᏉᏗᏳ ᎠᏎᏉᏉ ᏱᎩ; ᎡᏙᏓᏍᎩᏂ ᎠᎩᎸᏉᏗᏍᎩ, ᎾᏍᎩ ᎠᏴ ᎣᎦᏁᎳᏅᎯ ᏥᏣᏗᎭ.
55 En gij kent Hem niet, maar Ik ken Hem; en indien Ik zeg, dat Ik Hem niet ken, zo zal Ik ulieden gelijk zijn, dat is een leugenaar; maar Ik ken Hem, en bewaar Zijn woord.
ᎠᏎᏃ ᎥᏝ ᏰᏥᎦᏔᎭ, ᎠᏴᏍᎩᏂ ᏥᎦᏔᎭ; ᎢᏳᏃ ᎥᏝ ᏱᏥᎦᏔᎭ ᏱᏚᏗᎭ ᏥᏰᎪᎩᏉ ᏱᎩ, ᏂᎯ ᏥᏂᏣᏍᏗ ᎾᏍᎩᏯᎢ; ᎠᏎᏃ ᏥᎦᏔᎭ, ᎠᎴ ᎤᏁᏨ ᎠᎩᏍᏆᏂᎪᏗ.
56 Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest.
ᎢᏥᏙᏓ ᎡᏆᎭᎻ ᎠᎵᎮᎵᏍᏗ ᎤᏚᎩ ᎤᏩᏒ ᎤᎪᏩᏛᏗᏱ ᎪᎯ ᎨᏒ ᎠᏴ ᎨᎥᎢ, ᎠᎴ ᎤᎪᎲᎩ ᎠᎴ ᎣᏏᏳ ᎤᏓᏅᏓᏛᎩ.
57 De Joden dan zeiden tot Hem: Gij hebt nog geen vijftig jaren, en hebt Gij Abraham gezien?
ᎿᎭᏉᏃ ᎠᏂᏧᏏ ᎯᎠ ᏅᎬᏪᏎᎸᎩ; ᎥᏝ ᎠᏏ ᎯᏍᎩᏍᎪᎯ ᎢᏣᏕᏘᏴᏛ ᏱᎩ; ᏥᏌᏃ ᎯᎪᎥᎯ ᎢᎩ ᎡᏆᎭᎻ?
58 Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Eer Abraham was, ben Ik.
ᏥᏌ ᎯᎠ ᏂᏚᏪᏎᎸᎩ; ᎤᏙᎯᏳᎯᏯ ᎤᏙᎯᏳᎯᏯ ᎯᎠ ᏂᏨᏪᏎᎭ; ᎠᏏᏉ ᎡᏆᎭᎻ ᏁᎲᎾ ᏥᎨᏒᎩ, ᎠᏴ ᏂᎨᎣᎢ.
59 Zij namen dan stenen op, dat zij ze op Hem wierpen. Maar Jezus verborg Zich, en ging uit den tempel, gaande door het midden van hen; en ging alzo voorbij.
ᎿᎭᏉᏃ ᏅᏯ ᏚᏂᎩᏒᎩ, ᏗᎬᏩᏂᏍᏙᏗ, ᎠᏎᏃ ᏥᏌ ᎤᏗᏍᎦᎳᏅᎩ, ᎠᎴ ᎤᏛᏅ-ᏗᎦᎳᏫᎢᏍᏗᏱ ᎤᏄᎪᏨᎩ, ᎠᏰᎵ ᎠᏂᏙᎾᎥ ᎤᎦᏛᎴᏒᏍᏔᏅᎩ, ᎠᎴ ᎤᎶᏐᏅᎩ.