< Handelingen 16 >

1 Zo kwam hij ook te Derbe en Lustra aan. En zie, daar was een leerling, Timóteus genaamd, de zoon van een gelovige joodse vrouw en een heidensen vader.
ᏓᏈᏃ ᎠᎴ ᎵᏍᏗ ᏭᎷᏨᎩ, ᎬᏂᏳᏉᏃ ᎾᎿᎭᎡᎲᎩ ᎩᎶ ᎢᎨᏍᏗ ᎪᎯᏳᎲᏍᎩ, ᏗᎹᏗ ᏧᏙᎢᏛ, ᎠᏧᏏ, ᎠᎨᏴ ᎪᎯᏳᎲᏍᎩ ᎤᏥ ᎨᏒᎩ, ᎤᏙᏓᏍᎩᏂ ᎠᎪᎢ ᎨᏒᎩ.
2 Daar de broeders van Lustra en Ikónium een goede getuigenis over hem aflegden,
ᎾᏍᎩ ᎣᏏᏳ ᎬᏩᏃᎮᏍᎩ ᎨᏒᎩ ᎠᎾᏓᏅᏟ ᎵᏍᏗ ᎠᎴ ᎢᎪᏂᏯ ᎠᏁᎯ.
3 en Paulus hem dus als reisgezel wenste, liet hij hem besnijden ter wille van de Joden in die plaatsen; want allen wisten, dat zijn vader een heiden was.
ᎾᏍᎩ ᏉᎳ ᎤᏚᎸᎲᎩ ᎤᏘᏅᏍᏗᏱ; ᎤᎱᏍᏕᏎᎸᎩᏃ ᏅᏓᏳᎵᏍᏙᏔᏅᎩ ᎠᏂᏧᏏ ᎾᎿᎭᏓᏁᏩᏗᏒᎢ, ᏂᎦᏛᏰᏃ ᎠᏂᎦᏔᎲᎩ ᎤᏙᏓ ᎠᎪᎢ ᎨᏒᎢ.
4 In de steden, die ze bezochten, bevalen ze, de voorschriften te onderhouden, die door de apostelen en de priesters van Jerusalem waren vastgesteld.
ᏕᎦᏚᏩᏗᏒᏃ ᎠᏂᎶᏍᎬᎢ, ᏓᏂᏲᎯᏎᎲᎩ ᎤᏂᏍᏆᏂᎪᏙᏗ ᏗᎧᎿᎭᏩᏛᏍᏗ, ᎾᏍᎩ ᏧᏄᎪᏔᏅᎯ ᎨᏥᏅᏏᏛ ᎠᎴ ᏗᎨᎦᏁᎶᏗ ᏥᎷᏏᎵᎻ ᎠᏁᎯ.
5 Zó werden de gemeenten in het geloof bevestigd, en namen met de dag in aantal toe.
ᏧᎾᏁᎶᏗᏃ ᏚᎾᏓᏡᏩᏗᏒ ᏚᎾᎵᏂᎪᏒᎩ ᎪᎯᏳᏗ ᎨᏒᎢ, ᎠᎴ ᏂᏚᎩᏨᏂᏒ ᎠᏂᎪᏙᏍᎬᎩ.
6 Ze trokken nu Frúgië en de streek van Galátië door, omdat de Heilige Geest hen belette, het woord in Azië2 te verkondigen.
ᎤᏂᎶᏐᏅᏃ ᏈᏥᏱ ᎠᎴ ᎨᎴᏏᏱ, ᎠᎴ ᎦᎸᏉᏗᏳ ᎠᏓᏅᏙ ᎤᏂᏅᏍᏓᏕᎸ ᎤᎾᎵᏥᏙᏗᏱ ᎧᏃᎮᏛ ᎡᏏᏱ,
7 Toen ze dicht bij Músië waren gekomen, trachtten ze naar Bitúnië te gaan, maar de Geest van Jesus liet het hun niet toe.
ᎻᏏᏱ ᏭᏂᎷᏨ, ᎤᎾᏓᏅᏖᎸᎩ ᏈᏗᏂᏱ ᏭᏂᎶᎯᏍᏗᏱ, ᎠᏎᏃ ᎥᏝ ᎤᎾᏁᎳᎩ ᏱᏚᏪᎵᏎᎴ ᎠᏓᏅᏙ.
8 Ze trokken dus Músië door, en zakten naar Troas af.
ᎻᏏᏱᏃ ᎤᏂᎶᏒ, ᏠᎠᏏ ᏭᏂᎷᏨᎩ.
9 Daar had Paulus ‘s nachts een visioen: een Macedóniër stond voor hem, en smeekte: Kom over naar Macedónië, en help ons.
ᏉᎳᏃ ᎤᏁᎳᏫᏎᎸᎩ ᏒᏃᏱ; ᎩᎶ ᎢᏳᏍᏗ ᎠᏍᎦᏯ ᎹᏏᏙᏂ ᎡᎯ ᎦᏙᎨᎢ, ᎤᏔᏲᏎᎮᎢ, ᎯᎠ ᏄᏪᏎᎮᎢ; ᎹᏏᏙᏂ ᏫᎷᎩ, ᎠᎴ ᏫᏍᎩᏍᏕᎸ.
10 Zodra hij nu het visioen had aanschouwd, deden we aanstonds ons best, om naar Macedónië te vertrekken; overtuigd, dat God ons geroepen had, om hun het evangelie te verkondigen.
ᎤᏁᎳᏫᏎᎸᏃ ᎩᎳᏉ ᎢᏴᏛ ᎣᎦᏁᎶᏔᏅᎩ ᎹᏏᏙᏂ ᏬᎩᎶᎯᏍᏗᏱ, ᎣᏣᏙᎴᎰᏍᎬᎩ ᎤᎬᏫᏳᎯ ᎣᎩᏯᏂᏍᎬᎢ ᎾᏍᎩ ᏦᏣᎵᏥᏙᏁᏗᏱ ᎣᏍᏛ ᎧᏃᎮᏛ.
11 We scheepten ons te Troas in, en zeilden regel. recht naar Samotrácië; de volgende dag naar Neápolis,
ᎾᏍᎩᏃ ᏠᎠᏏ ᏥᏳᎯ ᎣᎦᏣᏅ ᏧᏳᎪᏗ ᏬᎩᏅᏍᏔᏅᎩ, ᏎᎹᏞᏏ ᏬᎩᏃᎸᎩ; ᎤᎩᏨᏛᏃ ᏂᎠᏆᎵᏏ ᏬᎩᏃᎸᎩ.
12 en van daar naar Filippi, een kolonie, die de voornaamste stad van dit deel van Macedónië is. In deze stad brachten we enige dagen door.
ᎾᎿᎭᏃ ᏫᎣᎦᏣᏅ, ᏈᎵᎩᏱ ᏬᎩᏃᎸᎩ, ᎾᏍᎩ ᏄᎬᏫᏳᏒ ᎦᏚᎲ ᎾᎿᎭᎢᏗᏢ ᎹᏏᏙᏂ, ᎠᎴ ᎾᏍᎩ ᎤᎾᏓᏅᏛ ᎤᏂᏚᎲ ᏥᎩ. ᎾᎿᎭᏃ ᎦᏚᎲ ᎢᎸᏍᎩ ᏧᏒᎯᏛ ᎣᎨᏙᎸᎩ.
13 Op de sabbat gingen we de poort uit naar een rivier, waar we een bedeplaats vermoedden. We gingen er zitten, en onderhielden ons met de vrouwen, die er waren samengekomen.
ᎤᎾᏙᏓᏆᏍᎬᏃ ᎦᏚᎲ ᎣᎩᏄᎪᏨᎩ, ᎡᏉᏄᎶᏗ ᏬᎩᎶᏒᎩ ᎠᏓᏙᎵᏍᏙᏗᏱ ᎨᏒᎢ; ᎣᎦᏅᏅᏃ ᏙᏥᏬᏁᏔᏅ ᎠᏂᎨᏴ ᎾᎿᎭᎤᎾᏓᏟᏌᏅᎯ.
14 Ook een vrouw, Lúdia genaamd, een verkoopster van purper uit de stad Tuatira, een godvrezende, hoorde toe: en de Heer opende haar hart, zodat ze haar volle aandacht schonk aan Paulus’ woord.
ᎩᎶᏃ ᎢᏳᏍᏗ ᎠᎨᏴ ᎵᏗ ᏧᏙᎢᏛ, ᎩᎦᎨ ᏗᏄᏬ ᎦᏃᏗᏍᎩ, ᏓᏱᏓᎵ ᎦᏚᎲ ᎡᎯ, ᎤᏁᎳᏅᎯ ᎠᏓᏙᎵᏍᏔᏁᎯ, ᎤᏛᏓᏍᏔᏅᎩ. ᎾᏍᎩ ᎤᎾᏫᏱ ᎤᎬᏫᏳᎯ ᎤᏍᏚᎢᏒᎩ, ᎤᏛᏓᏍᏙᏗᏱ ᏉᎳ ᎧᏁᎬᎢ.
15 Toen ze met haar gezin was gedoopt, nodigde ze ons uit, en zeide: Als gij van oordeel zijt, dat ik getrouw ben aan den Heer, komt dan en neemt uw intrek in mijn huis. En ze drong heel sterk bij ons aan.
ᎠᎦᏬᎥᏃ ᎤᏩᏒ ᎠᎴ ᎾᏍᎩ ᏚᏓᏘᎾᎥᎢ, ᎣᎩᏔᏲᏎᎸᎩ, ᎯᎠ ᏄᏪᏒᎩ; ᎢᏳᏃ ᎤᏙᎯᏳᏒ ᎤᎬᏫᏳᎯ ᎪᎯᏳᎲᏍᎩ ᏍᎩᏰᎵᏎᎮᏍᏗ, ᏥᏁᎸ ᎢᏥᏴᎭ ᎠᎴ ᎾᎿᎭᎢᏥᏁᏍᏗ. ᎣᎩᏍᏗᏰᏗᏍᎬᏃ ᎣᎩᏎᎪᎩᏒᎩ.
16 Eens, dat we naar de bedeplaats gingen, ontmoetten we een slavin, die een waarzeggenden geest in zich had, en met waarzeggen veel voor haar meesters verdiende.
ᎯᎠᏃ ᏄᎵᏍᏔᏅᎩ, ᎠᏓᏙᎵᏍᏙᏗᏱ ᎣᎨᏅ, ᎩᎶ ᎢᏳᏍᏗ ᎠᏛ, ᎠᏓᏅᏙ ᎠᏙᏂᏍᎩ ᎤᏯᎢ, ᏙᎦᏠᏒᎩ, ᎾᏍᎩ ᎤᏣᏛ ᏧᎬᏩᎶᏗ ᏓᏩᏛᎡᎲᎩ ᎬᏩᎾᏝᎢ ᎠᏙᏂᏍᎬ ᎬᏗᏍᎩ.
17 Ze liep Paulus en ons achterna, en riep hardop: Deze mensen zijn dienaars van den allerhoogsten God; ze verkondigen u de weg des heils.
ᎾᏍᎩ ᎣᎩᏍᏓᏩᏗᏒ ᏉᎳ ᎠᎴ ᎠᏴ, ᎤᏪᎷᏅᎩ ᎯᎠ ᏄᏪᏒᎩ; ᎯᎠ ᎠᏂᏍᎦᏯ ᎤᏁᎳᏅᎯ ᏩᏍᏛ ᎦᎸᎳᏗᏳ ᎡᎯ ᏧᏅᏏᏓᏍᏗ, ᎾᏍᎩ ᎬᏂᎨᏒ ᏥᏂᎨᎬᏁᎭ ᏅᏃᎯ ᎠᎵᏍᏕᎸᏙᏗ ᎨᏒᎢ.
18 Zo deed ze vele dagen achtereen. Maar toen dat Paulus begon te vervelen, keerde hij zich om, en sprak tot den geest: Ik beveel u in naam van Jesus Christus, van haar uit te gaan. En op hetzelfde ogenblik ging hij heen.
ᎠᎴ ᎤᏣᏛ ᏄᏒᎸᎩ ᎾᏍᎩ ᎾᏛᏁᎲᎩ; ᎠᏎᏃ ᏉᎳ ᎤᏕᏯᏔᏁᎸ ᎤᎦᏔᎲᏒᎩ, ᎯᎠ ᏄᏪᏎᎸᎩ ᎾᏍᎩ ᎠᏓᏅᏙ; ᎬᏁᏥ ᏥᏌ ᎦᎶᏁᏛ ᏕᎤᏙᎥ ᎬᏗᎭ, ᎾᏍᎩ ᎪᎱᎪᏤᏗᏱ. ᎾᎯᏳᏉᏃ ᎤᏄᎪᏨᎩ.
19 Maar zodra haar meesters bemerkten, dat hun hoop op winst was vervlogen, grepen ze Paulus en Silas vast, sleurden ze over de markt naar het stadsbestuur,
ᎬᏩᎾᏝᎢᏃ ᎤᎾᏙᎴᎰᏒ ᎤᏚᎩ ᎤᏅᏒ ᏧᎬᏩᎶᏗ ᎤᏂᏩᏛᏗᏱ ᎤᏲᏨᎢ, ᏗᏂᏂᏴᎲᎩ ᏉᎳ ᎠᎴ ᏌᏱᎳ, ᎠᎴ ᎾᏍᎩ ᎦᏃᏙᏗᏱ ᏫᏚᎾᏘᏃᎮᎸᎩ ᏗᎨᎦᏁᎶᏗ.
20 brachten ze voor de magistraten, en zeiden: Deze mensen brengen onze stad in rep en roer. Het zijn Joden;
ᎠᎴ ᏗᏄᎪᏗᏍᎩ ᏫᏚᎾᏘᏃᎮᎸᎩ, ᎯᎠ ᏄᏂᏪᏒᎩ; ᎯᎠ ᎠᏂᏍᎦᏯ ᎠᎠᏧᏏ ᎤᏣᏔᏅᎯ ᎠᎾᏕᏯᏙᏗᎭ ᎢᎩᏚᎲᎢ,
21 ze verkondigen zeden en gewoonten, die wij als Romeinen niet mogen aanvaarden of volgen.
ᎠᎴ ᎬᏂᎨᏒ ᎾᏅᏁᎭ ᏗᎧᎿᎭᏩᏛᏍᏗ ᎾᏍᎩ ᏰᎵ ᏗᎨᎩᏂᏴᏗ ᎠᎴ ᏗᎨᎩᎧᎿᎭᏩᏛᏍᏗ ᏂᎨᏒᎾ, ᎢᏗᎶᎻ ᎨᏒ ᎢᏳᏍᏗ.
22 Ook het volk keerde zich tegen hen. Nu lieten de magistraten hun de kleren afrukken, en gaven bevel, hen met roeden te geselen.
ᎤᏂᏣᏘᏃ ᎨᏒ ᏕᎬᏩᏂᎦᏘᎸᏒᎩ; ᏗᏄᎪᏗᏍᎩᏃ ᏚᏂᏄᏪᏒ ᎤᏂᏁᏨᎩ ᏗᎨᏥᎵᎥᏂᏍᏗᏱ.
23 En toen ze hun een pak slaag hadden gegeven, stopten ze hen in de gevangenis, en gaven bevel aan den gevangenbewaarder, om ze met grote zorg te bewaken.
ᎤᏣᏘᏃ ᏂᏚᏅᏂᎸ, ᏗᏓᏍᏚᏗᏱ ᏚᏂᏴᏔᏅᎩ, ᎤᏂᏁᏤᎸᎩ ᎾᏍᎩ ᎠᏥᎦᏘᏗᏍᏗ ᎣᏍᏛ ᏧᎦᏘᏗᏍᏗᏱ.
24 Na zo’n streng bevel, wierp hij ze in de binnenste afdeling der gevangenis, en sloot hun voeten in het blok.
ᎾᏍᎩᏃ ᎾᏥᏪᏎᎸ ᎠᏥᏁᏤᎸ, ᏫᏚᏴᏔᏅᎩ ᏗᏓᏍᏚᏗᏱ ᎪᏢᏒ ᎦᎵᏦᏕ ᎭᏫᏂ, ᎠᎴ ᎠᏍᏓᏯ ᏚᏅᏎᏙᏅ ᎠᏙᎯ.
25 Tegen middernacht waren Paulus en Silas aan het bidden, en zongen de lof van God; en de gevangenen luisterden naar hen.
ᏒᏃᏱᏃ ᎠᏰᎵ ᏉᎳ ᎠᎴ ᏌᏱᎳ ᎤᎾᏓᏙᎵᏍᏔᏁᎢ, ᎠᎴ ᎤᏁᎳᏅᎯ ᏚᏂᏃᎩᏍᏔᏁᎢ; ᏗᎨᏥᏍᏚᎯᏃ ᎾᏍᎩ ᎤᎾᏛᎦᏁᎢ.
26 Maar eensklaps kwam er een aardbeving, zo hevig, dat de grondslagen van de gevangenis er van schudden. Opeens sprongen alle deuren open, en bij allen lieten de boeien los.
ᎤᏰᎶᎢᏍᏔᏁᏃ ᎦᏙᎯ ᎤᎵᏖᎸᏁᎢ; ᎠᎴ ᏗᏓᏍᏚᏘᏱ ᏚᎵᏍᏓᏱᏗᏍᏛ ᏚᎵᏖᎸᏁᎢ, ᎩᎳᏉᏃ ᎢᏴᏛ ᏂᎦᏛ ᏓᏍᏚᎲ ᏚᎵᏍᏚᎢᏎᎢ, ᎠᎴ ᎾᏂᎥ ᏚᎾᏓᎸᏍᏛ ᏚᏢᏒᎮᎢ.
27 De gevangenbewaarder werd wakker, en zag, dat de deuren van de gevangenis openstonden. Hij trok zijn zwaard en wilde zich doden; want hij meende. dat de gevangenen waren ontvlucht.
ᏗᏓᏍᏚᏗᏱᏃ ᎠᎦᏘᏯ, ᎤᏰᏨ ᎠᎴ ᎤᏙᎴᎰᏒ ᎦᎶᎯᏍᏗᏱ ᏗᏓᏍᏚᏗᏱ ᏧᎵᏍᏚᎢᏛ ᎨᏒᎢ, ᎤᎸᎮ ᎠᏰᎳᏍᏗ ᎦᏅᎯᏛ, ᎠᎴ ᎤᏩᏒ ᏗᏓᎵᏎᎢ, ᏗᎨᏥᏍᏚᎯ ᎤᎾᎵᏒ ᎡᎵᏍᎨᎢ.
28 Maar Paulus riep met luider stem: Doe uzelf geen kwaad; want we zijn allen nog hier.
ᎠᏎᏃ ᏉᎳ ᎠᏍᏓᏯ ᎤᎵᏍᏔᏁᎢ, ᎯᎠ ᏄᏪᏎᎢ; ᏞᏍᏗ ᏨᏒ ᎪᎱᏍᏗ ᎤᏲ ᎢᏣᏓᏛᏁᎸᎩ, ᎠᏂᏰᏃ ᏂᎦᏛ ᎣᏥᏯᎠ.
29 Hij vroeg om licht, snelde naar binnen, en viel sidderend Paulus en Silas te voet.
ᎠᏨᏍᏙᏗᏃ ᎤᏔᏲᎸ ᎤᎵᏍᏗ ᏭᏴᎴᎢ, ᎠᎴ ᏭᎷᏤ ᎤᏪᎾᏫᏍᎨᎢ, ᎤᏓᏅᏂᎴ ᎢᎬᏱᏢ ᏉᎳ ᎠᎴ ᏌᏱᎳ ᏚᏃᎸᎢ.
30 Hij bracht ze naar buiten, en zeide: Heren, wat moet ik doen, om gered te worden?
ᏚᏄᎪᏫᏒᏃ ᎯᎠ ᏄᏪᏎᎢ; ᎢᏍᏗᏍᎦᏯ, ᎦᏙ ᏓᎦᏛᏁᎵ ᎥᎩᏍᏕᎸᏗᏱ?
31 Ze zeiden: Geloof in den Heer Jesus, en ge zult gered worden met uw gezin.
ᎯᎠᏃ ᏄᏂᏪᏎᎢ; ᎯᏲᎢᏳᎲᎦ ᎤᎬᏫᏳᎯ ᏥᏌ ᎦᎶᏁᏛ, ᏓᏰᏣᏍᏕᎸᎯᏃ, ᏂᎯ ᎠᎴ ᏕᏣᏓᏘᎾᎥᎢ.
32 En ze verkondigden het woord des Heren aan hem en al zijn huisgenoten.
ᎤᎬᏫᏳᎯᏃ ᎤᏤᎵ ᎧᏃᎮᏛ ᎤᏂᏃᎮᎮᎴ ᎾᏍᎩ, ᎠᎴ ᏂᎦᏛ ᎾᏍᎩ ᎦᏁᎸᎢ ᎠᏂᏯᎢ.
33 Nog op hetzelfde uur van de nacht nam hij hen bij zich op, wies hun wonden, en werd toen onmiddellijk met al de zijnen gedoopt.
ᎾᎯᏳᏉᏃ ᏒᏃᏱ ᏚᏯᏅᎮᎢ, ᎠᎴ ᏚᏬᏑᎴᎴ ᏕᎨᏥᎵᎥᏂᎸᎢ; ᎠᎴ ᎩᎳᏉ ᎢᏴᏛ ᎠᎦᏬᎡ ᎤᏩᏒ ᎠᎴ ᏂᎦᏛ ᏧᏤᎵᎦ.
34 Nu geleidde hij ze naar boven, zette hun spijzen voor, en verheugde zich met heel zijn gezin, dat hij het geloof in God had ontvangen.
ᎦᏁᎸᏃ ᏚᏴᏔᏂᎸ ᏚᏪᎳᏍᏔᏁᎢ, ᎠᎴ ᎪᎯᏳᎲᏍᎬ ᎤᏁᎳᏅᎯ ᎤᎵᎮᎵᏤᎢ, ᎠᎴ ᎾᏍᏉ ᏂᎦᏛ ᎦᏁᎸᎢ.
35 Toen het dag was geworden, zonden de magistraten gerechtsdienaars met het bevel: Laat die mannen in vrijheid.
ᏑᎾᎴᏃ ᏄᎵᏍᏔᏅ ᏗᏄᎪᏗᏍᎩ ᏚᏂᏅᏎ ᏗᎾᏓᏂᏱᏍᎩ, ᎯᎠ ᏫᏄᏂᏪᏍᏗᏱ; ᏘᎧᎲᎦ Ꮎ ᎠᏂᏍᎦᏯ.
36 De gevangenbewaarder bracht dit bericht aan Paulus over: De magistraten hebben me laten zeggen, u in vrijheid te laten. Gaat dus in vrede heen.
ᏗᏓᏍᏚᏗᏱᏃ ᎠᎦᏘᏯ ᎾᏍᎩ ᏅᏧᏂᏪᏒ ᎤᏃᏁᎴ ᏉᎳ; ᏗᏄᎪᏗᏍᎩ ᏛᎾᏓᏅᎵ ᏗᏍᏛᏯᎪᏗᏱ; Ꭷ, ᏍᏗᏄᎪᎢ ᎠᎴ ᏅᏩᏙᎯᏩᏛ ᎢᏍᏕᎾ.
37 Maar Paulus zei hun: Zonder verhoor hebben ze ons, romeinse burgers, in het openbaar gegeseld en in de gevangenis geworpen; en nu laten ze ons los, maar in het geheim? Dat niet; zelf moeten ze komen,
ᎠᏎᏃ ᏉᎳ ᎯᎠ ᏂᏚᏪᏎᎴᎢ, ᎬᏂᎨᏒ ᏕᎪᎩᏂᎵᎥᏂᎸ ᏧᏚᎪᏔᏅᎯ ᏂᎨᏒᎾ ᎣᎩᏂᏍᎦᏅᏨᎢ, ᎣᏍᏗᎶᎻ, ᎠᎴ ᏗᏓᏍᏚᏗᏱ ᏕᎪᎩᏂᏴᏔᏅ, ᏥᎪᏃ ᎿᎭᏉ ᎤᏕᎵᏛ ᎢᎪᎩᏂᏄᎪᏫᏍᎦ? ᎤᏙᎯᏳᎯ ᎥᏝ, ᎤᏅᏒᏍᎩᏂ ᏩᏂᎷᎩ ᏫᎪᎩᏂᏄᎪᏩ.
38 om ons in vrijheid te stellen. De gerechtsdienaars brachten deze boodschap aan de magistraten over. Toen ze hoorden, dat het Romeinen waren, werden ze bang;
ᏗᎾᏓᏂᏱᏍᎩᏃ ᎾᏍᎩ ᎯᎠ ᏄᏂᏪᏒ ᏚᏂᏃᏁᎴ ᏗᏄᎪᏗᏍᎩ. ᎤᏂᏍᎦᎴᏃ ᎤᎾᏛᎦᏅ ᎠᏂᎶᎻ ᎨᏒᎢ.
39 ze gingen er heen, boden hun verontschuldigingen aan, en stelden hen in vrijheid met het verzoek de stad te verlaten.
ᎤᏂᎷᏤᏃ ᎠᎴ ᏚᏂᏍᏗᏰᏔᏁᎢ; ᏚᏂᏄᎪᏫᏒᏃ ᏚᏂᏔᏲᏎᎴ ᎾᎿᎭᎦᏚᎲ ᎤᎾᏓᏅᏍᏗᏱ.
40 Ze verlieten dus de gevangenis, en gingen bij Lúdia binnen; en toen ze de broeders hadden gezien en vermaand, reisden ze verder.
ᎤᏂᏄᎪᏨᏃ ᏗᏓᏍᏚᏗᏱ ᎵᏗ ᎦᏁᎸ ᏭᏂᏴᎸᎩ; ᏚᏂᎪᎲᏃ ᎠᎾᏓᏅᏟ, ᏚᏂᎦᎵᏍᏓᏛᎩ, ᎠᎴ ᎤᎾᏂᎩᏒᎩ.

< Handelingen 16 >