< 2 Kronieken 6 >
1 Nu sprak Salomon: De zon heeft Jahweh aan de hemel geplaatst, Maar Zelf besloot Hij, in een wolk te vertoeven;
τότε εἶπεν Σαλωμων κύριος εἶπεν τοῦ κατασκηνῶσαι ἐν γνόφῳ
2 Zo kon ik het wagen, U een tempel te bouwen, Een huis, waar Gij eeuwig zult wonen!
καὶ ἐγὼ ᾠκοδόμηκα οἶκον τῷ ὀνόματί σου ἅγιόν σοι καὶ ἕτοιμον τοῦ κατασκηνῶσαι εἰς τοὺς αἰῶνας
3 Hierop keerde de koning zich om, en zegende heel de gemeenschap van Israël. En terwijl allen overeind gingen staan,
καὶ ἐπέστρεψεν ὁ βασιλεὺς τὸ πρόσωπον αὐτοῦ καὶ εὐλόγησεν τὴν πᾶσαν ἐκκλησίαν Ισραηλ καὶ πᾶσα ἐκκλησία Ισραηλ παρειστήκει
4 sprak hij: Geprezen zij Jahweh, Israëls God, wiens hand heeft volbracht, wat zijn mond tot mijn vader David heeft gesproken:
καὶ εἶπεν εὐλογητὸς κύριος ὁ θεὸς Ισραηλ ὃς ἐλάλησεν ἐν στόματι αὐτοῦ πρὸς Δαυιδ τὸν πατέρα μου καὶ ἐν χερσὶν αὐτοῦ ἐπλήρωσεν λέγων
5 "Sinds de dag, dat Ik mijn volk uit het land van Egypte heb geleid, heb Ik geen enkele stad van alle stammen van Israël uitverkoren, om Mij daar een tempel te bouwen, waarin mijn Naam zou wonen, en heb Ik niemand uitverkoren, om over mijn volk Israël te heersen.
ἀπὸ τῆς ἡμέρας ἧς ἀνήγαγον τὸν λαόν μου ἐκ γῆς Αἰγύπτου οὐκ ἐξελεξάμην ἐν πόλει ἀπὸ πασῶν φυλῶν Ισραηλ τοῦ οἰκοδομῆσαι οἶκον τοῦ εἶναι ὄνομά μου ἐκεῖ καὶ οὐκ ἐξελεξάμην ἐν ἀνδρὶ τοῦ εἶναι εἰς ἡγούμενον ἐπὶ τὸν λαόν μου Ισραηλ
6 Maar Jerusalem heb Ik uitverkoren, om daar mijn Naam te doen wonen; en David heb Ik uitgekozen, om over mijn volk Israël te heersen!"
καὶ ἐξελεξάμην ἐν Ιερουσαλημ γενέσθαι τὸ ὄνομά μου ἐκεῖ καὶ ἐξελεξάμην ἐν Δαυιδ ὥστε εἶναι ἐπάνω τοῦ λαοῦ μου Ισραηλ
7 Daarom wilde mijn vader David een tempel bouwen voor de Naam van Jahweh, Israëls God.
καὶ ἐγένετο ἐπὶ καρδίαν Δαυιδ τοῦ πατρός μου τοῦ οἰκοδομῆσαι οἶκον τῷ ὀνόματι κυρίου θεοῦ Ισραηλ
8 Maar Jahweh sprak tot David: "Het was goed van u, het plan op te vatten, om een tempel te bouwen voor mijn Naam.
καὶ εἶπεν κύριος πρὸς Δαυιδ πατέρα μου διότι ἐγένετο ἐπὶ καρδίαν σου τοῦ οἰκοδομῆσαι οἶκον τῷ ὀνόματί μου καλῶς ἐποίησας ὅτι ἐγένετο ἐπὶ καρδίαν σου
9 Maar niet gij zult de tempel bouwen, doch uw zoon, die uit uw lenden voortkomt, zal een tempel bouwen voor mijn Naam."
πλὴν σὺ οὐκ οἰκοδομήσεις τὸν οἶκον ὅτι ὁ υἱός σου ὃς ἐξελεύσεται ἐκ τῆς ὀσφύος σου οὗτος οἰκοδομήσει τὸν οἶκον τῷ ὀνόματί μου
10 En Jahweh heeft zijn belofte vervuld. Want ik ben mijn vader David opgevolgd, en heb mij neergezet op de troon van Israël, zoals Jahweh gezegd had. En nu heb ik voor de Naam van Jahweh, Israëls God, een tempel gebouwd,
καὶ ἀνέστησεν κύριος τὸν λόγον αὐτοῦ ὃν ἐλάλησεν καὶ ἐγενήθην ἀντὶ Δαυιδ πατρός μου καὶ ἐκάθισα ἐπὶ τὸν θρόνον Ισραηλ καθὼς ἐλάλησεν κύριος καὶ ᾠκοδόμησα τὸν οἶκον τῷ ὀνόματι κυρίου θεοῦ Ισραηλ
11 en daarin een plaats bereid voor de ark, waar het Verbond berust, dat Jahweh met de Israëlieten gesloten heeft.
καὶ ἔθηκα ἐκεῖ τὴν κιβωτόν ἐν ᾗ ἐκεῖ διαθήκη κυρίου ἣν διέθετο τῷ Ισραηλ
12 Toen ging Salomon ten aanschouwen van heel de gemeenschap van Israël voor het altaar van Jahweh staan en strekte zijn handen uit.
καὶ ἔστη κατέναντι τοῦ θυσιαστηρίου κυρίου ἔναντι πάσης ἐκκλησίας Ισραηλ καὶ διεπέτασεν τὰς χεῖρας αὐτοῦ
13 Want Salomon had een bronzen spreekgestoelte laten maken, van vijf el lang, vijf el breed en drie el hoog, en het midden in de voorhof geplaatst; daarop was hij gaan staan. Nu knielde hij neer ten aanschouwen van al de vergaderde Israëlieten, strekte zijn handen naar de hemel uit,
ὅτι ἐποίησεν Σαλωμων βάσιν χαλκῆν καὶ ἔθηκεν αὐτὴν ἐν μέσῳ τῆς αὐλῆς τοῦ ἱεροῦ πέντε πηχῶν τὸ μῆκος αὐτῆς καὶ πέντε πήχεων τὸ εὖρος αὐτῆς καὶ τριῶν πήχεων τὸ ὕψος αὐτῆς καὶ ἔστη ἐπ’ αὐτῆς καὶ ἔπεσεν ἐπὶ τὰ γόνατα ἔναντι πάσης ἐκκλησίας Ισραηλ καὶ διεπέτασεν τὰς χεῖρας αὐτοῦ εἰς τὸν οὐρανὸν
14 en sprak: Jahweh, God van Israël; geen god boven in de hemel of beneden op aarde is gelijk aan U; want in goedertierenheid houdt Gij U aan het verbond met uw dienaren, die met heel hun hart voor uw aanschijn wandelen.
καὶ εἶπεν κύριε ὁ θεὸς Ισραηλ οὐκ ἔστιν ὅμοιός σοι θεὸς ἐν οὐρανῷ καὶ ἐπὶ τῆς γῆς φυλάσσων τὴν διαθήκην καὶ τὸ ἔλεος τοῖς παισίν σου τοῖς πορευομένοις ἐναντίον σου ἐν ὅλῃ καρδίᾳ
15 Ook aan uw dienaar David, mijn vader, hebt Gij vervuld wat Gij hem hebt gezegd. Wat uw mond beloofde, heeft uw hand volbracht, zoals blijkt op deze dag.
ἃ ἐφύλαξας τῷ παιδί σου Δαυιδ τῷ πατρί μου ἃ ἐλάλησας αὐτῷ λέγων καὶ ἐλάλησας ἐν στόματί σου καὶ ἐν χερσίν σου ἐπλήρωσας ὡς ἡ ἡμέρα αὕτη
16 Welnu dan, Jahweh, Israëls God, vervul aan uw dienaar David, mijn vader, ook de belofte, die Gij hem deedt: "Nooit zal het u aan een man ontbreken, die op Israëls troon is gezeten, indien uw zonen slechts op hun gedrag willen letten en voor mijn aanschijn wandelen, zoals gij voor mijn aanschijn gewandeld hebt."
καὶ νῦν κύριε ὁ θεὸς Ισραηλ φύλαξον τῷ παιδί σου τῷ Δαυιδ τῷ πατρί μου ἃ ἐλάλησας αὐτῷ λέγων οὐκ ἐκλείψει σοι ἀνὴρ ἀπὸ προσώπου μου καθήμενος ἐπὶ θρόνου Ισραηλ πλὴν ἐὰν φυλάξωσιν οἱ υἱοί σου τὴν ὁδὸν αὐτῶν τοῦ πορεύεσθαι ἐν τῷ νόμῳ μου ὡς ἐπορεύθης ἐναντίον μου
17 Jahweh, God van Israël, moge ook deze belofte, die Gij aan uw dienaar David gedaan hebt, toch worden vervuld.
καὶ νῦν κύριε ὁ θεὸς Ισραηλ πιστωθήτω δὴ τὸ ῥῆμά σου ὃ ἐλάλησας τῷ παιδί σου τῷ Δαυιδ
18 Maar zou God dan werkelijk bij de mensen op aarde wonen? Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen kan U niet bevatten; hoe dan dit huis, dat ik heb gebouwd!
ὅτι εἰ ἀληθῶς κατοικήσει θεὸς μετὰ ἀνθρώπων ἐπὶ τῆς γῆς εἰ ὁ οὐρανὸς καὶ ὁ οὐρανὸς τοῦ οὐρανοῦ οὐκ ἀρκέσουσίν σοι καὶ τίς ὁ οἶκος οὗτος ὃν ᾠκοδόμησα
19 Jahweh, mijn God, luister naar het bidden en smeken van uw dienaar, en hoor naar het geroep en het gebed, dat uw dienaar vandaag tot U richt.
καὶ ἐπιβλέψῃ ἐπὶ τὴν προσευχὴν παιδός σου καὶ ἐπὶ τὴν δέησίν μου κύριε ὁ θεός τοῦ ἐπακοῦσαι τῆς δεήσεως καὶ τῆς προσευχῆς ἧς ὁ παῖς σου προσεύχεται ἐναντίον σου σήμερον
20 Mogen uw ogen nacht en dag over dit huis blijven waken, over de plaats, waarvan Gij gezegd hebt: "Mijn Naam zal daar wonen!" Hoor het gebed, dat uw dienaar op deze plaats tot U opzendt.
τοῦ εἶναι ὀφθαλμούς σου ἀνεῳγμένους ἐπὶ τὸν οἶκον τοῦτον ἡμέρας καὶ νυκτός εἰς τὸν τόπον τοῦτον ὃν εἶπας ἐπικληθῆναι τὸ ὄνομά σου ἐκεῖ τοῦ ἀκοῦσαι τῆς προσευχῆς ἧς ὁ παῖς σου προσεύχεται εἰς τὸν τόπον τοῦτον
21 Luister naar de smeekbede, die uw dienaar en Israël uw volk op deze plaats tot U richten. En wanneer Gij ze hoort in de hemel, uw woonstede, verhoor ze dan ook, en schenk vergiffenis.
καὶ ἀκούσῃ τῆς δεήσεως τοῦ παιδός σου καὶ λαοῦ σου Ισραηλ ἃ ἂν προσεύξωνται εἰς τὸν τόπον τοῦτον καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐν τῷ τόπῳ τῆς κατοικήσεώς σου ἐκ τοῦ οὐρανοῦ καὶ ἀκούσῃ καὶ ἵλεως ἔσῃ
22 Wanneer iemand tegen zijn naaste misdoet, en deze hem een eed oplegt, als bewijs voor zijn onschuld, en hij voor die eed in dit huis verschijnt voor uw altaar:
ἐὰν ἁμάρτῃ ἀνὴρ τῷ πλησίον αὐτοῦ καὶ λάβῃ ἐπ’ αὐτὸν ἀρὰν τοῦ ἀρᾶσθαι αὐτόν καὶ ἔλθῃ καὶ ἀράσηται κατέναντι τοῦ θυσιαστηρίου ἐν τῷ οἴκῳ τούτῳ
23 luister dan in de hemel, en richt uw dienaren; veroordeel den schuldige, door zijn daad op zijn eigen hoofd te doen neerkomen, maar stel den onschuldige in het gelijk, door hem voor zijn onschuld te belonen.
καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ καὶ ποιήσεις καὶ κρινεῖς τοὺς δούλους σου τοῦ ἀποδοῦναι τῷ ἀνόμῳ καὶ ἀποδοῦναι ὁδοὺς αὐτοῦ εἰς κεφαλὴν αὐτοῦ τοῦ δικαιῶσαι δίκαιον τοῦ ἀποδοῦναι αὐτῷ κατὰ τὴν δικαιοσύνην αὐτοῦ
24 Wanneer Israël, uw volk, omdat het tegen U heeft gezondigd, door zijn vijand wordt verslagen, maar ze bekeren zich, prijzen uw Naam, en bidden en smeken tot U in dit huis:
καὶ ἐὰν θραυσθῇ ὁ λαός σου Ισραηλ κατέναντι τοῦ ἐχθροῦ ἐὰν ἁμάρτωσίν σοι καὶ ἐπιστρέψωσιν καὶ ἐξομολογήσωνται τῷ ὀνόματί σου καὶ προσεύξωνται καὶ δεηθῶσιν ἐναντίον σου ἐν τῷ οἴκῳ τούτῳ
25 luister dan in de hemel, vergeef de zonden van Israël, uw volk, en laat hen terugkeren naar het land, dat Gij aan hen en hun vaderen hebt geschonken.
καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ καὶ ἵλεως ἔσῃ ταῖς ἁμαρτίαις λαοῦ σου Ισραηλ καὶ ἀποστρέψεις αὐτοὺς εἰς τὴν γῆν ἣν ἔδωκας αὐτοῖς καὶ τοῖς πατράσιν αὐτῶν
26 Wanneer de hemel gesloten blijft en er geen regen valt, omdat zij tegen U zondigen, maar ze bidden dan op deze plaats, prijzen uw Naam, en bekeren zich van hun zonden, omdat Gij ze vernedert:
ἐν τῷ συσχεθῆναι τὸν οὐρανὸν καὶ μὴ γενέσθαι ὑετόν ὅτι ἁμαρτήσονταί σοι καὶ προσεύξονται εἰς τὸν τόπον τοῦτον καὶ αἰνέσουσιν τὸ ὄνομά σου καὶ ἀπὸ τῶν ἁμαρτιῶν αὐτῶν ἐπιστρέψουσιν ὅτι ταπεινώσεις αὐτούς
27 luister dan in de hemel, vergeef de zonden van uw dienaren en van Israël, uw volk, wijs het de goede weg die het bewandelen moet, en geef weer regen op uw land, dat Gij aan uw volk hebt geschonken als erfdeel.
καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ καὶ ἵλεως ἔσῃ ταῖς ἁμαρτίαις τῶν παίδων σου καὶ τοῦ λαοῦ σου Ισραηλ ὅτι δηλώσεις αὐτοῖς τὴν ὁδὸν τὴν ἀγαθήν ἐν ᾗ πορεύσονται ἐν αὐτῇ καὶ δώσεις ὑετὸν ἐπὶ τὴν γῆν σου ἣν ἔδωκας τῷ λαῷ σου εἰς κληρονομίαν
28 Wanneer het land wordt geteisterd door hongersnood of pest, door korenbrand of verdorring, door sprinkhaan of knaagbek, wanneer het volk in een van zijn poorten door den vijand wordt benauwd, of bezocht wordt door plagen en ziekten;
λιμὸς ἐὰν γένηται ἐπὶ τῆς γῆς θάνατος ἐὰν γένηται ἀνεμοφθορία καὶ ἴκτερος ἀκρὶς καὶ βροῦχος ἐὰν γένηται ἐὰν θλίψῃ αὐτὸν ὁ ἐχθρὸς κατέναντι τῶν πόλεων αὐτῶν κατὰ πᾶσαν πληγὴν καὶ πᾶν πόνον
29 wanneer iemand van uw volk Israël in het bijzonder, in droefheid of leed, komt bidden en smeken, en zijn handen uitstrekt naar dit huis:
καὶ πᾶσα προσευχὴ καὶ πᾶσα δέησις ἣ ἐὰν γένηται παντὶ ἀνθρώπῳ καὶ παντὶ λαῷ σου Ισραηλ ἐὰν γνῷ ἄνθρωπος τὴν ἁφὴν αὐτοῦ καὶ τὴν μαλακίαν αὐτοῦ καὶ διαπετάσῃ τὰς χεῖρας αὐτοῦ εἰς τὸν οἶκον τοῦτον
30 luister dan in de hemel, uw woonstede, en schenk vergiffenis, grijp in, en vergeld eenieder zijn werken. Want Gij kent de harten, Gij alleen kent het hart aller mensen.
καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ ἐξ ἑτοίμου κατοικητηρίου σου καὶ ἱλάσῃ καὶ δώσεις ἀνδρὶ κατὰ τὰς ὁδοὺς αὐτοῦ ὡς ἂν γνῷς τὴν καρδίαν αὐτοῦ ὅτι μόνος γινώσκεις τὴν καρδίαν υἱῶν ἀνθρώπων
31 Dan zullen zij U vrezen en op uw wegen wandelen, zolang ze leven op het land, dat Gij aan onze vaderen hebt geschonken.
ὅπως φοβῶνται τὰς ὁδούς σου πάσας τὰς ἡμέρας ἃς αὐτοὶ ζῶσιν ἐπὶ προσώπου τῆς γῆς ἧς ἔδωκας τοῖς πατράσιν ἡμῶν
32 Zelfs wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort, ter wille van uw Naam uit een ver land zal komen, en in dit huis verschijnt, om te bidden, omdat hij van uw grote Naam, uw sterke hand en uw gespierde arm heeft gehoord:
καὶ πᾶς ἀλλότριος ὃς οὐκ ἐκ τοῦ λαοῦ σου Ισραηλ ἐστὶν αὐτὸς καὶ ἔλθῃ ἐκ γῆς μακρόθεν διὰ τὸ ὄνομά σου τὸ μέγα καὶ τὴν χεῖρά σου τὴν κραταιὰν καὶ τὸν βραχίονά σου τὸν ὑψηλὸν καὶ ἔλθωσιν καὶ προσεύξωνται εἰς τὸν τόπον τοῦτον
33 luister dan in de hemel, uw woonstede, en doe, wat deze vreemdeling U vraagt; opdat alle volkeren der aarde uw Naam mogen kennen, U vrezen, evenals Israël, uw volk, en mogen ondervinden, dat de tempel, die ik voor U heb gebouwd, uw Naam draagt.
καὶ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ ἐξ ἑτοίμου κατοικητηρίου σου καὶ ποιήσεις κατὰ πάντα ὅσα ἐὰν ἐπικαλέσηταί σε ὁ ἀλλότριος ὅπως γνῶσιν πάντες οἱ λαοὶ τῆς γῆς τὸ ὄνομά σου καὶ τοῦ φοβεῖσθαί σε ὡς ὁ λαός σου Ισραηλ καὶ τοῦ γνῶναι ὅτι ἐπικέκληται τὸ ὄνομά σου ἐπὶ τὸν οἶκον τοῦτον ὃν ᾠκοδόμησα
34 Wanneer uw volk op uw bevel tegen den vijand ten strijde trekt, en zij bidden tot U in de richting van de stad, die Gij hebt uitverkoren, en van het huis, dat ik voor uw Naam heb gebouwd:
ἐὰν δὲ ἐξέλθῃ ὁ λαός σου εἰς πόλεμον ἐπὶ τοὺς ἐχθροὺς αὐτοῦ ἐν ὁδῷ ᾗ ἀποστελεῖς αὐτούς καὶ προσεύξωνται πρὸς σὲ κατὰ τὴν ὁδὸν τῆς πόλεως ταύτης ἣν ἐξελέξω ἐν αὐτῇ καὶ οἴκου οὗ ᾠκοδόμησα τῷ ὀνόματί σου
35 luister dan in de hemel naar hun bidden en smeken, en verschaf hun recht.
καὶ ἀκούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ τῆς δεήσεως αὐτῶν καὶ τῆς προσευχῆς αὐτῶν καὶ ποιήσεις τὸ δικαίωμα αὐτῶν
36 Wanneer ze tegen U zondigen-want er is niemand, die niet zondigt-en Gij levert ze in uw toorn aan een vijand over, zodat ze gevangen worden weggevoerd naar het land van dien vijand, veraf of dichtbij;
ὅτι ἁμαρτήσονταί σοι ὅτι οὐκ ἔσται ἄνθρωπος ὃς οὐχ ἁμαρτήσεται καὶ πατάξεις αὐτοὺς καὶ παραδώσεις αὐτοὺς κατὰ πρόσωπον ἐχθρῶν καὶ αἰχμαλωτεύσουσιν οἱ αἰχμαλωτεύοντες αὐτοὺς εἰς γῆν ἐχθρῶν εἰς γῆν μακρὰν ἢ ἐγγὺς
37 wanneer ze dan in het land hunner ballingschap tot nadenken komen, zich bekeren en in het land van hen, die ze wegvoerden, smekend tot U zeggen: "Wij hebben gezondigd, en slecht en goddeloos gehandeld";
καὶ ἐπιστρέψωσιν καρδίαν αὐτῶν ἐν τῇ γῇ αὐτῶν οὗ μετήχθησαν ἐκεῖ καί γε ἐπιστρέψωσιν καὶ δεηθῶσίν σου ἐν τῇ αἰχμαλωσίᾳ αὐτῶν λέγοντες ἡμάρτομεν ἠδικήσαμεν ἠνομήσαμεν
38 wanneer ze zich met geheel hun hart en geheel hun ziel tot U bekeren in het land hunner vijanden, die hen hebben weggevoerd, en ze bidden tot U in de richting van het land, dat Gij aan hun vaderen hebt geschonken, in de richting van de stad, die Gij hebt uitverkoren, en van het huis, dat ik voor uw Naam heb gebouwd:
καὶ ἐπιστρέψωσιν πρὸς σὲ ἐν ὅλῃ καρδίᾳ καὶ ἐν ὅλῃ ψυχῇ αὐτῶν ἐν γῇ αἰχμαλωτευσάντων αὐτοὺς καὶ προσεύξωνται ὁδὸν γῆς αὐτῶν ἧς ἔδωκας τοῖς πατράσιν αὐτῶν καὶ τῆς πόλεως ἧς ἐξελέξω καὶ τοῦ οἴκου οὗ ᾠκοδόμησα τῷ ὀνόματί σου
39 luister dan in de hemel, uw woonstede, naar hun bidden en smeken, en verschaf hun recht. Schenk vergiffenis aan het volk, dat tegen U misdeed.
καὶ ἀκούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ ἐξ ἑτοίμου κατοικητηρίου σου τῆς προσευχῆς αὐτῶν καὶ τῆς δεήσεως αὐτῶν καὶ ποιήσεις κρίματα καὶ ἵλεως ἔσῃ τῷ λαῷ τῷ ἁμαρτόντι σοι
40 Welnu dan, mijn God, mogen uw ogen geopend zijn, en uw oren luisteren naar het gebed op deze plaats!
νῦν κύριε ἔστωσαν δὴ οἱ ὀφθαλμοί σου ἀνεῳγμένοι καὶ τὰ ὦτά σου ἐπήκοα εἰς τὴν δέησιν τοῦ τόπου τούτου
41 Jahweh, God, trek thans op naar uw rustplaats, Gijzelf en de ark uwer glorie! Jahweh, God, mogen uw priesters met uw heil worden bekleed, En uw vromen zich over uw goedheid verheugen!
καὶ νῦν ἀνάστηθι κύριε ὁ θεός εἰς τὴν κατάπαυσίν σου σὺ καὶ ἡ κιβωτὸς τῆς ἰσχύος σου οἱ ἱερεῖς σου κύριε ὁ θεός ἐνδύσαιντο σωτηρίαν καὶ οἱ υἱοί σου εὐφρανθήτωσαν ἐν ἀγαθοῖς
42 Jahweh, God, wijs het gebed van uw gezalfde niet af; Gedenk uw gunsten aan David, uw dienaar!
κύριε ὁ θεός μὴ ἀποστρέψῃς τὸ πρόσωπον τοῦ χριστοῦ σου μνήσθητι τὰ ἐλέη Δαυιδ τοῦ δούλου σου