< 約伯記 37 >
Ja, hierover siddert mijn hart, En springt op van zijn plaats.
2 你們且細聽天主的怒吼聲,聽那從他口中發出的巨響。
Hoort, hoort het bulderen van zijn stem, Het gebrom, dat komt uit zijn mond.
Langs heel de hemel slingert Hij zijn bliksem, En tot de grenzen der aarde.
4 接著是雷聲隆隆,那是天主威嚴之聲;他的巨聲一響,沒有什麼能夠阻止。
Zijn stem gromt achter Hem aan, Hij dondert met zijn machtige kreet; Hij houdt de bliksem niet terug, Wanneer zijn stem zich laat horen.
Maar ook wonderen wrocht God door zijn stem, Doet grote, onbegrijpelijke dingen!
6 他命令雪說:「落在大地上! 」對暴雨說:「傾盆而降! 」
Hij spreekt tot de sneeuw: Val op aarde neer; Tot de regenstromen: Weest hevig!
Dan sluit Hij alle mensen op, Opdat ieder sterveling zijn werk erkent;
Ook de dieren zoeken hun schuilplaats op, En leggen zich neer in hun holen.
Uit zijn kamer komt de wervelwind, Uit zijn voorraadschuren de koude;
Door de adem Gods wordt het ijs gestolten, De watervlakte in boeien gelegd;
Het zwerk belaadt Hij met dampen, En spreidt zijn lichtende wolken uit.
12 雷電照他的指示旋轉,全照他的命令實行於地面,
Ze zweven naar alle kanten rond, En gaan, zoals Hij het beschikt, Om te volbrengen, wat Hij hun gebiedt, Op de oppervlakte der aarde:
Is het tot straf, ze volbrengen zijn wil; Is het tot zegen, ze voeren hem uit.
14 約伯啊! 你且側耳細聽這事,立著沉思天主的奇事!
Job, schenk er uw aandacht aan, Houd op, en let op Gods wonderen!
15 你豈能知道天主怎樣發命,怎樣使雲中電光閃爍﹖
Begrijpt ge, hoe God ze gebiedt, En het licht van zijn wolken doet flitsen;
Begrijpt ge iets van het zweven der wolken, Van de wonderwerken van den Alwetende?
17 當南風吹起,大地鎮靜時,你的衣服豈不是發暖﹖
Gij, wiens kleren te warm zijn, Als de aarde amechtig van de zuidenwind ligt:
Kunt gij, evenals Hij, het zwerk tot een uitspansel strijken, Vast als een spiegel van gegoten metaal?
Laat mij weten, wat wij Hem zullen zeggen, Wij, die door de duisternis hulpeloos staan!
20 我說話時,能給他講述些什麼新事﹖世人說話後,豈算是告訴他一項新聞﹖
Zal deze wijken wanneer ik het zeg; Worden weggevaagd, als de mens het beveelt?
21 人現今看不見陽光照耀天空,除非等到風過天晴。
Neen, thans aanschouwt men geen licht, Het is door de wolken verduisterd; Maar een wind steekt op, en bezemt ze weg:
En uit het Noorden breekt de goudglans door! God is van ontzagwekkende luister omringd:
23 全能者是我們不可接近的,他的能力和正義,高超絕倫;他公義正道,決不欺壓。
Wij dringen dus niet tot den Almachtige door! Hij is groot in kracht en gerechtigheid; Hij is de Heer van het recht, die nimmer verdrukt!
24 所以人應敬畏他;但那心中自以為聰慧的,他卻不眷顧。
Daarom moeten de mensen Hem vrezen, Doorgronden Hem al de wijzen niet!